|
Een westerse Sheherazade uit Turkije

De Turkse schrijver Orhan Pamuk
heeft de 103de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen.
Met de toekenning van de Nobelprijs
voor Literatuur aan Orhan Pamuk heeft het Nobelcomité een oosterse
schrijver uitverkoren die in de westerse humanistische traditie
thuishoort. Een schrijver bovendien die kritiek op het islamisme en het
nationalisme in zijn geboorteland Turkije niet schuwt.
Met
zijn romans valt Pamuk geheel buiten de Turkse literaire traditie, wat een
van de belangrijkste redenen is voor de negatieve reacties waarop zijn
boeken door de critici in zijn land zijn onthaald. Niet alleen Pamuks
onarchaïsche stijl verschilt van die van zijn generatiegenoten, maar ook
zijn thematiek, zijn grootsteedse personages, de fantastische vorm van
zijn verhalen, zijn stellingname tegen het hedendaagse Turkije en zijn
waardering voor het in de officiële geschiedschrijving weggemoffelde
Ottomaanse Rijk.
Orhan Pamuk is geen schrijver van
psychologische romans, maar eerder een verteller, een moderne Sheherazade
met Faulkneriaanse genen. Het verhaal wint het bij hem van de diepgang van
zijn personages. Zijn boeken doen denken aan postmoderne schrijvers als
Jorge Luis Borges, Gabriel García Márquez en Italo Calvino. Net als hij
beschrijven zij het fantastische, en gaan er met de werkelijkheid vandoor.
Borgesiaanse thema’s als de-roman-in-de-roman, de zo nu en dan opduikende
dubbelganger en de subtiele vermenging van droom en werkelijkheid komen in
zijn romans voortdurend voor.
Orhan Pamuk werd in 1952 geboren in
een westers georiënteerde, schatrijke bourgeoisfamilie uit Istanbul. Zijn
beide grootvaders waren ingenieurs die een fortuin vergaarden met de
aanleg van spoorwegen. Aanvankelijk wilde hij schilder worden, maar hij
verruilde die ambitie voor de journalistiek en vervolgens voor de
literatuur.
In 1979 debuteerde Pamuk met de
roman Cevdet Bey en zoon, een familiesaga over een Istanbulse
koopmansfamilie. Tegenwoordig wil Pamuk het boek niet laten vertalen omdat
het te veel afwijkt van de rest van zijn oeuvre. Zijn eigenlijke debuut is
voor hem zijn tweede roman: Het huis van de stilte (1982). Ook dit boek is
een familieroman, waarbij het verhaal afwisselend wordt verteld vanuit het
ik-perspectief van een van de hoofdpersonen. Zo is er een grootmoeder die
haar leven aan zich voorbij laat gaan. Ze denkt onder meer terug aan haar
man die in de nadagen van het Ottomaanse Rijk als een Turkse Diderot een
universele encyclopedie wilde schrijven waarmee de kloof tussen het
moderne westen en het achterlijke oosten moest worden overbrugd. Het boek
bevat alle thema’s die ook in Pamuks latere werk opduiken.
Met de publicatie van de historische
roman De witte vesting (1985) werd Pamuks internationale reputatie
gevestigd. De roman verhaalt over een zeventiende-eeuwse Venetiaanse
student die als slaaf in Istanbul belandt. Daar komt hij in dienst van een
adviseur van de sultan op wie hij sprekend lijkt. Pamuk gebruikt het
dubbelgangermotief om de identiteit van slaaf en meester te laten
samenvloeien. Dit gegeven komt tot een hoogtepunt als de slaaf en de
machthebber van rol wisselen en je niet meer weet wie wie is.
Zijn volgende twee romans, Het
zwarte boek (1990) en Het nieuwe leven (1994) zijn raamvertellingen over
de invloed die het schrijven van een boek op iemands leven kan hebben. In
zijn laatste twee romans, Ik heet Karmozijn (1998) en Sneeuw (2003), richt
Pamuk zich op het conflict tussen het moderne Turkije en de radicale
islam, tussen het accepteren van invloeden van buiten (het Westen) of het
behouden van de dingen zoals die al honderden jaren zijn. Want volgens
Orhan Pamuk mag Turkije geografisch dan bij Europa horen, politiek is het
er nog altijd een beetje Azië. Zijn romans bewijzen het.
Bron:
NRC
|